cab54.christiaanweiler.net

architecture : theory and strategy

coast wise wetlands, terschelling


object epilogue for workshop reader (dutch) subject coastal tourism date april 1996 words 1050 pages 2 author christiaan weiler - -



- no pdf file available -

Het Wad en de Wildernis

Als je in Noord Friesland, bijvoorbeeld bij Nes, naar de kust rijdt kom je onherroepelijk de dijk tegen. Geen aankondiging, geen ANWB bordjes, en dat is ook niet nodig, want in het lege Friese landschap zie je de dijk al op grote afstand liggen. Er is daar bij wijze van spreken geen horizon, de dijk ligt ervoor. Terwijl je op steenworp afstand van de zee bent is er, behalve de betekenis van een dijk, nauwelijks een teken van nabijheid van de zee. Je ziet slechts het lege landschap en een aarden wal die daar een abrupt einde aan maakt.
Dichter bij de dijk gekomen zie je dat de huizen met de rug naar de dijk staan. Een woning met de kamer gericht op de dijk biedt ook niet zo’n boeiend uitzicht. Je zou direct op een hoog grastalud kijken, terwijl de andere kant een uitgestrekt land laat zien.
De dijk wordt, om meerdere redenen, de rug toe gekeerd. Je ziet in die dijk het oudste probleem van Nederland: het gevecht met de zee. Niemand is daar geďnteresseerd in die verraderlijke Waddenzee, behalve de vissers en die zijn gek. Het land is gewonnen, ontgonnen, er is structuur in gebracht en dat alles moet beschermd worden tegen de zee. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw is de dijk op delta-hoogte gebracht en nu is het daar achter liggende gebied veilig. Als je vervolgens de dijk oploopt zie je de Waddenzee, en ter hoogte van Nes kun je de eilanden Schiermonnikoog en Ameland daarin zien liggen. Afhankelijk van het tij ligt naast de dijk een onbegaanbare grijze drek of een watervlakte met onregelmatige golven. Op het buitentalud van de dijk ligt een grote asfaltvlakte. Een goed afdichtend, onderhoudsarm, goedkoop en doeltreffend middel. Het oogt niet erg verblijfsvriendelijk, er is geen terras, steiger of pad aangelegd. Als de lokale bevolking praat over café’s of iets dergelijks aan de kust, dan vermelden ze de Zwarte Haan en “nog zo iets in Groningen, geloof ik” waarmee ze Noordpolderzijl bedoelen. Tel daarbij op de havenplaatsen Den Helder, Den Oever, Harlingen, Holwerd, Lauwersoog, Delfzijl en Eemshaven en je hebt negen kustplaatsen op een totale kustlijn van 110 km. De noordkust wordt kennelijk niet als een aangenaam gebied ervaren.
Na een tocht per veer kom je op een van de eilanden. De eerste keer dat ik op een Waddeneiland kwam, kon ik me niet voorstellen dat het bij Nederland hoorde. Nadat je, voor het eerst zonder je ouders, daar een zomer hebt oorgebracht, weet je waarom de eilanden wel bij Nederland horen. Dit is het enige deel van de Nederlandse natie dat niet honderd procent vast is gelegd. Hier kan alles gebeuren. Het is een onbeheerst stuk Nederlands grondgebied. Alles wat God aan Calvijn verboden heeft gebeurt hier en dan voornamelijk in de zomervakantie. En of het nog niet erg genoeg is, de eilanden wandelen. Om dat tegen te gaan wordt er elk jaar voor enorme bedragen zand naar de zee gedragen. Zandsuppletie, net zo iets als ijstransplantatie, en dit jaar was er toch weer geen Elfstedentocht. We hebben op behoorlijk wat plekken de zee bedwongen, maar de eilanden blijven wandelen. Dat is het landschap van het noorden. Aan de ene kant het geordende Hollandse ingenieurslandschap, aan de andere kant de bandeloze eilanden, en daartussen een klomp klei, 110 kilometer lang, 8 meter hoog. De vraag is nu hoe toerisme hierin zijn plaats kan vinden?

Waar begint toerisme, of hoe begint toerisme? Wat is een eerste vereiste voor een plek om toeristisch interessant te zijn? Dat is niet zo gemakkelijk aan te wijzen. We kunnen observeren wat de gevolgen van de komst van toerisme zijn. Een plek wordt ontdekt als daar iets bijzonders te beleven is. John Urry zegt in zijn boek ‘The Tourist Gaze’ (1994): “De toeristische blik is gericht op de eigenschappen van landschap en stadsgezicht die het onderscheiden van de alledaagse beleving”.

De aanwezigheid van de toeristen is voor lokale ondernemers een lucratieve business. Maar na een aantal jaren op de camping willen we toch wel weer iets anders. De groep trekt door naar de volgende hotńspot. De ondernemers en de gemeente willen daar echter niets van weten, want er is inmiddels een lokale economie gebaseerd op toerisme. Die toeristische industrie vraagt om onderhoud en nieuwe investeringen. Er worden nieuwe middelen ingezet om het aanbod aan te vullen en de toeristen te behouden. Tegen de tijd dat er om die reden een theater wordt gebouwd is de oorspronkelijk context radicaal veranderd. Nu moet bijvoorbeeld Scheveningen concurreren met megabioscopen in Capelle a/d IJssel en Rotterdam. Elke plek wil zich onderscheiden van andere plekken, maar als iedereen dezelfde middelen inzet om dat onderscheid te maken wordt dat eigenlijk onmogelijk. Er komt een moment dat de enige onderscheidende kenmerken fysieke eigenschappen zijn als geografie, klimaat en infrastructuur. Op dat moment ben je weer terug bij de aanvangs-situatie. Scheveningen heeft dan een aquarium, badhotels, discotheken, appartementen, musea, parkeergarages, een pretpark, een businesspark, een luchthaven etc. etc., maar Scheveningen ligt eerst en vooral aan zee.
In dezelfde redenering is het Waddengebied uiteindelijk de enige nationale wildernis. Het is on-nederlands, het is paradijselijk, vrijgevochten en romantisch. In Zuid-Europa heb ik mensen horen zeggen dat Nederlanders de ‘latinos’ van het noorden zijn. Ik twijfel daaraan. Maar misschien kunnen we op Terschelling even vergeten dat we morgen weer de vinger in de dijk moeten houden, omdat we anders onderlopen. Stel je voor, een eigen eilanden-archipel waar iedereen kan feesten onder de dreiging van de stormvloed. Het feit dat je op de eilanden niet zeker kunt zijn van de grond onder je voeten is onweerlegbaar. Het is een uniek facet van het gebied en tegelijkertijd ontkent het een belangrijk deel van de Nederlandse cultuur waarin landschap het resultaat is van een streven naar technische beheersbaarheid. Dat maakt de waddeneilanden een tot de verbeelding sprekend onderwerp waar een enorme kracht vanuit gaat. Er is natuurlijk meer aan de hand dan een apocalyptisch feest. Er spelen vele overwegingen en evenzovele verantwoordelijkheden, maar ik denk dat een gegeven als dit kan bijdragen aan een sterke lokale identiteit. Laat de dagelijkse werkelijkheid de ideeën vertroebelen, het is aan ons om met volle overgave de opgave aan te gaan.

Christiaan Weiler, Rotterdam 5 april’96